Vijf voorwaarden voor een sterke differentiatie

We organiseren onze scholen en klassen volgens onze eigen ‘schoolgrammatica’. Dit is een geheel van vooronderstellingen, regels en tradities die de organisatie haar eigenheid verschaffen. De tijden kunnen veranderen maar die grammatica veranderen minder snel. In tijden die snel evolueren (bijv. naar aanleiding van grote migratiegolven) wordt ook het onderwijs uitgedaagd om haar grammatica aan de nieuwe uitdagingen aan te passen. Focussen op bepaalde aspecten kan hierbij helpen.

Differentiatie kan veel verder gaan dan binnenklasdifferentiatie. Soms kunnen de leerbehoeften in een klas zo van elkaar verschillen dat deze aspecten kunnen helpen om je klas- of schoolorganisatie aan te passen.

1 – Leerdoelen groeperen

Sommige leerdoelen hebben expliciete instructie nodig (de letters van het alfabet), andere zijn meer abstract (rekenen met breuken). Het kan voor AN’ers toegankelijker zijn om de meer abstracte leerdoeleinden in een concrete context te groeperen samen met andere leerdoelen.

Vergelijk deze lesplannen:

Expliciete instructie
9u – 9u35
Technisch lezen, woorden over kledij

9u35 – 10u
Begrijpend lezen: actualiteit

10u – 10u25
Rekenen: breuken

10u25 – 11u
Luistervaardigheid: liefdesliedjes Themakeuze: mode

Thematische instructie
9u – 11u
Technisch lezen over kledij.
Begrijpend lezen over beroemde ontwerpers van je land.
Spreekoefeningen over andere beroemde ontwerpers die de leerlingen kennen.
Rekenoefeningen: kleren kopen en kortingen uitrekenen.
Luistervaardigheid: documentaire over de ontwerper Gauthier

De tweede les combineert taalverwervings- met rekendoeleinden. Het biedt meer context aan en laat toe dat leerlingen op hun eigen tempo leren.

2 – Leerlingen groeperen

Dit kan volgens verschillende criteria:

  • Voorkeuren: soms kun je werkgroepen organiseren en leerlingen met dezelfde interesses samenzetten;
  • Niveau: dat kan het lesgeven makkelijker maken, maar kan ook leiden tot stigmatisering wanneer leerlingen altijd tot dezelfde groep ingedeeld worden;
  • Heterogene groepen: hier kunnen leerlingen die al wat verder staan anderen helpen. In coöperatieve structuren/werkvormen (hyperlink) bereiken leerlingen niet alleen academische doeleinden, het helpt hen om ook sociale vaardigheden te ontwikkelen. Ze kunnen leren een groep te leiden, hoe te modereren, hoe zorg te dragen voor materialen, voor het werk van andere leerlingen …
  • Leeftijden door elkaar: je hoeft de leerlingen niet altijd volgens leeftijd te groeperen. Jongere leerlingen kunnen sneller leren wanneer ze oudere kunnen observeren en imiteren.

3 – Leerkrachten samenbrengen

Co-teaching is het samenbrengen van verschillende leerkrachten om een groep te ondersteunen, waarbij de onderlinge relatie gelijkwaardig is, en dit gedurende een bepaalde periode, met de bedoeling om op een gestructureerde manier bepaalde leerdoeleinden te bereiken.

Co-teaching kan een bron van permanente professionele ontwikkeling betekenen als deze leerkrachten ook de tijd nemen om elkaar te raadplegen en feedback te geven. Co-teaching zorgt voor meer kans tot individuele begeleiding en ondersteuning van leerlingen. Er ontstaat ruimte voor gedifferentieerde instructie, andere klasopstellingen, extra ondersteuning voor leerlingen met specifieke leerbehoeften en voor leerlingen die extra uitdagingen aankunnen.

4 – Differentiatie in diverse fasen van het leerproces

Je kunt divergent of convergent differentiëren gedurende de volgende drie fases in het leerproces.

Instructie (1) en verwerking (2) van het onderwerp

  • Klassikale instructie zonder differentiatie.
  • Voorzie stappenplannen met pictogrammen voor de instructie.
  • Laat de leerlingen de taak/opdracht zelf ontdekken en nodig hen uit om naar de instructie-tafel te komen wanneer ze een meer uitgewerkte instructie nodig hebben.
  • Verdeel de klas in 2 groepen. Elke groep leest een andere taak. Elke leerling van groep A legt de taak uit aan een leerling van groep B, en vice versa.
  • Directe instructie activeren: bied de leerlingen een zeer gestructureerde instructie aan. Test of ze het begrepen hebben (d.m.v. een Google Form, een korte quiz of test, een zelf-evaluatie …). Verdeel hen in 3 groepen:
    • Groep A krijgt een verlengde instructie met jouw hulp.
    • Groep B werkt alleen aan de taak.
    • Groep C krijgt een moeilijker taak.
  • Voorzie keuzes in de manier waarop leerlingen het nieuwe onderwerp willen verwerven (video, stappenplan, tekst, een andere leerling observeren …).

Evaluatie (3)

  • Leerkracht-gecentreerde evaluatie: jij beslist hoe je de leerlingen zal evalueren.
  • Leerling-gecentreerde evaluatie: leerlingen kunnen suggesties geven hoe ze geëvalueerd willen worden. Voor het leerdoel “in het openbaar spreken” kunnen ze het onderwerp en het tijdstip wanneer ze dit willen organiseren, zelf kiezen.
  • Vrijwillige tussentijdse evaluatie: voorzie mogelijkheden om de leerlingen tussendoor al te evalueren op waar ze mee bezig zijn. Deze momenten zijn niet verplicht: de leerlingen kiezen zelf of ze dit willen of niet.
  • Self-assessment: laat de leerling zichzelf een score geven, bekijk of dit overeenkomt met jouw score.
  • Peer-evaluatie: laat leerlingen feedback geven aan hun mede-leerlingen. Reflecteer met hen wat goede evaluatiecriteria kunnen zijn.

5 - Durf buiten het kader te denken

Denk steeds doelgericht:

  • Welk doel wil ik met mijn leerlingen bereiken?
  • Welke weg leidt daartoe?
  • In welke mate verschilt die weg voor de verschillende leerlingen?

Denk hierbij als een piloot. Vanuit een groeimindset en een positieve kijk op jongeren houd je steeds je doel voor ogen. Dan bepaal je het traject, en bespeel je al de aspecten van de leeromgeving die hierboven beschreven staan. Wat dacht je ervan als we er gewoon een echte vliegtuigcockpit bijhalen? Onderstaande illustratie kan je helpen om wegwijs te raken in de verschillende mogelijkheden van differentiatie.

het EDINA-vliegtuig